Het had Desgrange
in 1903 grote moeite gekost om de industrie voor zijn onderneming warm
te maken. Hun aarzeling was zo groot dat één van de grote
favorieten voor de eindzege, Josef Fischer, ex-winnaar van onder
andere Parijs – Roubaix en Bordeaux
– Parijs, in L'Auto moest adverteren om
een sponsor te kunnen vinden. Toen de Tour in 1903 steeds populairder werd
veranderde houding van de fabrikanten echter gigantisch. In het reglement
was opgenomen dat de wedstrijd strikt individueel verreden moest worden,
maar omdat de organisatoren zo bang waren geweest voor te weinig deelnemers,
hadden ze ook vermeld dat uitvallers de volgende dagen voor de dagprijzen
weer mee mochten doen. De fabrikanten maakten hier dankbaar gebruik van
door de uitvallers als gangmakers van hun kopmannen in te huren. Ondanks
deze 'ploegentactiek' was de koers zeer levendig en konden individuele
renners als Dargassies en Samson lang met de besten mee.
In 1904 werden, ondanks het individuele karakter van de koers, renners ingehuurd door de fabrikanten Alcyon en La Française om hun kopmannen, Aucouturier en Garin, bij te staan. De constructeurs bemoeiden zich echter op nog veel meer manieren met de koers, zodat de eerste 4 renners later uit de uitslag werden verwijderd. Desgrange was natuurlijk op de hoogte van al deze zaken, maar hij deed nauwelijks pogingen om dit aan te pakken. De kritiek die hij toch had, richtte hij uitsluitend op individuele renners. Desgrange was er namelijk veel aan gelegen zich de belangrijkste fabrikanten te vriend te houden. Zonder de constructeurs viel de Tour gewoonweg niet te organiseren.
Tot het einde van de jaren 20 moest L'Auto de organisatie van de Tour geheel zelf bekostigen. Aangezien de wedstrijd open stond voor zowel amateurs als profs, kwamen er soms amateurs die wel geld wilden toeleggen om mee te mogen doen. Eén van hen was baron Henri Pépin de Gontaud die in 1907 deelnam. Omdat hij zich niet sterk genoeg achtte huurde hij 2 helpers in. Eén van hen was Dargassies, wiens carrière na een 4e stek in 1904 op een dood spoor was geraak. Andere deelnemers moesten echter zelfs tijdens de Tour geld bijverdienen om de overnachtingen te kunnen betalen. Zo verkocht Marcel Dozol ansichtkaarten in de aankomstplaatsen en trad Jules Deloffre na de koers op als acrobaat.
De belangrijkste
fabrikanten probeerden de beste renners in huis te halen. Zij bepaalden
ook waar de renners al dan niet mochten starten. Het was voor alle organisatoren
noodzaak om een zo aantrekkelijk mogelijk deelnemersveld te hebben. Daarom
was L'Auto altijd bereid om positief nieuws te brengen voor de sponsors,
om die te vriend te houden. De fabrikanten en L'Auto hadden echter ook
tegenstrijdige belangen. De constructeurs waren gebaat bij een gecontroleerd
koersverloop, L'Auto bij een levendige koers. Grote sommen geld staken
de
producenten in toprenners om maar de Tour te winnen. Andere fabrikanten
staakten soms al voortijdig of zelfs al voor aanvang de strijd, omdat ze
hun geld beter konden besteden als hen duidelijk werd dat ze toch niet
konden winnen.
Peugeot
won de Tour in 1906, 1907 en 1908. In 1909 en 1910 won Alcyon, omdat Peugeot
de strijd niet aandurfde. In 1911 misrekende Alcyon zich. De duurbetaalde
ploeg bleek niet opgewassen tegen outsider Duboc. De Tour dreigde
een ramp voor Alcyon te worden, totdat Duboc in de Pyreneeën
een bidon van een toeschouwer aannam. Na een paar slokken begon hij zwart
vocht uit te braken en was uren uitgeschakeld. Desgrange negeerde deze
vergiftiging, het zou maar een smet op de koers zijn, maar stuurde wel
de chef d'équipe van Alcyon direct naar huis.