De etappe
startte in Luchon en zou over een afstand van 326 km
verreden
worden. De wegen over de 4 cols die in het parcours waren opgenomen waren
nog niet verhard uitgevoerd, zodat de meeste renners grote delen met de
fiets aan de hand naar boven moesten lopen. Het bleek inderdaad een loodzware
opgaaf, ook in de tijd dat monsterritten nog aan de orde van de dag waren.
Veel renners waren van mening dat het allemaal te gek was. Journalist Victor
Breyer had op de Aubisque een gesprek met Octave Lapize.
Hij had er genoeg van. Toch ging Lapize door en won de rit.
Ondanks alle woeste verhalen viel het verwachtte slagveld mee. 46 van de 59 gestarte renners reden de etappe gewoon binnen de tijdslimieten uit. Van een onmenselijke opgave was blijkbaar geen sprake. Desgrange liet natuurlijk niet blijken dat hij in de voorbeschouwingen wellicht een tikkeltje overdreven had. Hij roemde de renners, noemde hen helden, en roemde ook de uitvallers, want zij waren 'slechts enkele uren na het sluiten van de controle binnengekomen'.
De Pyreneeën – etappe vormde een anticlimax. De journalisten van L'Auto, met Desgrange voorop, wisten de werkelijkheid echter zo goed in sluiers te verhullen dat hun apocalyptische visioenen zijn op genomen in de wielergeschiedenis. Naarmate de tijd verstreek werd de waarheid steeds verder geromantiseerd. Jean Nelissen schreef een moderne versie in zijn boek 'Hemel en hel op een stukje leer'.
In de Pyreneeën
speelden zich in dat jaar 1910 hartverscheurende tonelen af. In de woestenij
van stenen en sneeuw, waar het bitter koud was en tijdens een hagelbui
soms grote ijskorrels de armen en benen van de renners geselden, hadden
de arbeiders een smal pad gegraven tussen hoge sneeuwmuren. Meermalen werden
uitgeputte en half bevroren renners huilend een berghut binnengedragen…
Een uitgeputte coureur riep Henri Desgrange (sic) toe dat hij een moordenaar
was.