Vanaf het begin heeft Desgrange er steeds met de volle overtuiging naar gestreefd om zijn onderneming door het creëren van legendes meer glans te geven. Natuurlijk speelden economische motieven daarbij een rol, want L'Auto moest natuurlijk wel verkopen. Toch was Desgrange niet zo maar een avonturenboekenschrijver. Hij was opgegroeid in de jaren van na de Frans – Duitse oorlog, en in Frankrijk heerste op moment heel sterk het gevoel dat zij hun land opnieuw aanzien en elan konden geven door de sport. Desgrange was een overtuigd aanhanger van deze gedachten en door de wielersport een mythische dimensie te geven meende hij dat de Tour kon bijdragen aan het herstel van de nationale saamhorigheid en het nationaal herstel.
"Hoevelen van de duizenden die de Tour langs zien komen, voelen zich niet door de sportieve genade beroerd en schamen zich niet over het gebrek aan lichamelijk inspanning dat zij altijd getoond hebben? En hoevelen van hen nemen zich niet het kloeke besluit om een nieuw leven te beginnen, een leven vol activiteit en strijd?", aldus Desgrange.
Renners
dienden volgens Desgrange een voorbeeld te zijn voor de natie
en hij was
dan ook niet bereid om begrip te tonen voor coureurs die niet aan zijn
verwachtingen voldeden. Zo gaat er het verhaal dat Trousselier,
de winnaar van de Tour van 1905, hem tijdens een beklimming helemaal verrot
schold. Desgrange antwoordde: "Lijden, Trousselier, dat is de volledige
ontplooiing van de wilskracht. Bewijs dat U een man bent!" Toch hadden
hij en alle andere coureurs veel aan hem te danken. De zware inspanningen
van de Tour hadden het wielrennen een nieuwe impuls gegeven. Organisatoren
van andere wedstrijden betaalden hoge startgelden voor de helden van de
Tour en velodrooms stroomden weer vol. Maurice
Garin verdiende na zijn overwinning in de Tour van 1903, inclusief
de premies van zijn constructeur, 12.000 franc. Lucien
Petit-Breton, die de Tour 4 jaar later won, ontving meer dan tweeëneenhalf
keer zoveel.