het programma. Het
deelnemersveld bij deze koersen liet echter veel te wensen over, want de
meeste sterren streden op het slagveld en konden alleen in verlofperiodes
aan de start verschijnen. Sterren als Petit-Breton,
Lapize
en de Luxenburger François Faber, allen ex-Tourwinnaars,
lieten zelfs het leven op het slagveld tijdens Le Grand Match, zoals Desgrange
de Eerste Wereld oorlog noemde.
Ondanks de gigantische verwoestingen die de oorlog had aangericht kwam de wielersport na 1918 weer verrassend snel tot bloei. De eerste wedstrijd van het seizoen, de Omloop van de Slagvelden een wedstrijd met 7 etappes, werd door Le Petit Journal georganiseerd ter ere van de gevallenen en voerde door de streken waar de strijd het hevigst gewoed had. Eerste werd Charles Deruyter, maar er waren zoveel onregelmatigheden geweest dat nooit zeker is geworden of Deruyter wel de gehele afstand op de fiets heeft afgelegd. Enkele weken later werd ook Parijs – Roubaix weer verreden. De normaal al loodzware koers werd nog extra bemoeilijkt door de slechte kwaliteit van de wegen. Deze waren door de honderden, nauwelijks gedichte, granaatputten nog slechter dan anders. Bovendien was het weer extreem slecht en maakte de streek met zijn ingestorte huizen, bomkraters en verkoolde bomen zo'n troosteloze indruk dat een journalist van L'Auto de streek 'de Hel van het Noorden' noemde.
Natuurlijk waren ook de rijwielfabrikanten door de oorlog in hun economische positie aangetast. Zelfs de grote merken van die tijd, zoals Automoto en Labor, hadden de middelen niet meer om een eigen ploeg te financieren. Omdat toch een rol te kunnen blijven spelen verenigden deze grote constructeurs zich in La Sportive. Onder deze naam trokken zij renners aan, maar deze konden ze meestal niet meer bieden dan een broek en een trui. Vedetten als Henri Pélissier kregen nog enig loon, maar dat was meestal nog maar een tiende van datgene wat zij voor de oorlog verdienden.
In Italië,
dat veel minder onder de oorlog geleden had, was de situatie veel gunstiger.
Daar konden de fabrikanten wel eigen ploegen in stand houden. Veel Belgische
en Franse renners trokken dan ook naar Italië, in de hoop dat werk
te vinden als knecht voor een Italiaanse vedette. Deze Italiaanse sterren
haalden door deze
ploegentactiek zoveel overwinningen, dat zijn werden uitgeroepen tot campionissimi,
superkampioenen. Zo werden de jaren 20 beheerst door 4 renners, Constante
Girardengo, Gaetano Belloni, Giovanni Brunero en Alfredo
Binda. Deze 4 renners wonnen tussen 1919 en 1929 bijna alles wat er
te winnen viel in Italië. Zelfs de troostprijzen eisten ze meestal
voor zichzelf op; 75 van de 113 Giro-etappes in deze periode wonnen zij
zelf. Hun knechten legden van begin af aan de koers stil, en de kopmannen
mochten het afmaken. Deze manier van koersen vergt heel andere kwaliteiten
dan de manier van koersen die in Frankrijk gebruikelijk was. Alle campionissimi
probeerden het eens in de Tour, maar geen van hen haalde ooit de finish.
De enige Italiaan die in deze periode de Tour won, Ottavio Bottecchia,
was een heel ander soort renner, en dit verklaart dat hij er in Italië
nooit is geslaagd een belangrijke wedstrijd te winnen.