aan toe, zodat het materiaal juist meer te lijden had.
Dat jaar haalden dan ook maar 11 deelnemers van de Tour Parijs. Twee jaar
later besloot Desgrange dan ook dat er, indien sprake van onherstelbare
schade, wel van materiaal gewisseld mocht worden. Wel waren de renners
verplicht om de onbruikbare delen mee te nemen en te laten keuren aan de
finish. Dit
betekende bijvoorbeeld dat Léon Scieur, de winnaar van de
Tour van 1921, 300 km met een verbogen achterwiel op de rug moest rijden.
De tandwielen drongen zo diep in zijn vlees dat hij de littekens tot in
zijn graf zou meenemen.
Na 1921 ging
het in alle opzichten langzaam beter met de economie. Zo steeg bijvoorbeeld
de verkoop van fietsen weer aanzienlijk. Mede hierdoor konden de rijwielfabrikanten
weer eigen ploegen financieren. Dit had grote gevolgen voor La
Sportive. De deelnemende firma's besloten de structuur van La Sportive
daarom aan te passen; zij veranderde van een consortium in een kartel.
De constructeurs zouden weer met eigen ploegen gaan uitkomen en weer hun
eigen naam in de reclames plaatsen. Wel maakten zij afspraken over het
beschikbare budget en het loon en premieregelingen van de renners. Bovendien
werd er overeen te
komen een gezamenlijke strijd te leveren tegen de constructeurs
die niet bij La Sportive aangesloten waren. Veel tegenstand was er overigens
niet, want bijna alle renners, en zeker de vedetten, stonden onder contract
bij La Sportive.
De voornaamste
slachtoffers van deze afspraken waren natuurlijk de renners. Eén
van hen nam daar echter geen genoegen mee. Henri Pélissier
had in 1921 voor de tweede keer Parijs – Roubaix
gewonnen en vond dat hij daarom recht had op een salarisverhoging. De chef
d'équipe van La Sportive, Alphonse Baugé, ook wel
'de maarschalk' genoemd, hield dit echter tegen. Meteen nam Henri samen
met zijn broer Francis ontslag en ging in dienst bij een kleine,
onafhankelijke fabrikant, J.B. Louvet. Nu gaat er het verhaal dat
Maisonnas,
de directeur van Louvet, het tweetal echter alleen een contract aan wilde
bieden voor Parijs – Roubaix. Pas wanneer één van beide de
wedstrijd zou winnen , zou er een langer lopend contract worden afgesloten.
Henri Pélissier werd eerste, Francis Pélissier werd tweede.
Toch is het niet helemaal het sprookje dat het lijkt te zijn. Tijdens de
Parijs – Roubaix van 1921 werden ze wel eerste en tweede, maar toen stonden
ze nog onder contract bij La Sportive. Pas in 1922 namen zij ontslag en
traden zij bij J.B. Louvet in dienst. Deze rebellie is één
van de pijlers van de legende rond de Pélissiers.