Desgrange,
toch één van de grootste tegenstanders van Henri
Pélissier, kon toch niet helemaal ontevreden zijn met de Tourzege
van Henri in 1923. Pélissier was de eerste Fransman sinds 1911 die
de gele trui naar Parijs wist te brengen en dit was in de verkoopcijfers
van L'Auto goed te merken. Desgrange kon het
dan ook niet nalaten zeer poëtisch over Pélissier te schrijven.
Hierdoor liet Henri zich echter niet overhalen een meer conservatieve positie
in te nemen. Hij bleef kritiek houden op de overdreven zware inspanningen
die van de renners gevraagd werden en op de bepalingen in de reglementen
die de wedstrijden voor de renners onnodig zwaar maakten. Een voorbeeld
hiervan was, dat renners geen recht hadden om materiaal van fabrikanten
te verspillen en daarom met dezelfde uitrusting
moesten aankomen als waarmee ze gestart waren. In 1920 had Pélissier
in de aanloop naar een massasprint namelijk al zijn overbodige bagage weggegooid
en dit was een doorn in het oog van Desgrange geweest.
Natuurlijk was Pélissier er de man niet naar om zich aan zulke bepalingen te houden. Omdat Touretappes in die jaren nog zeer lang waren, startten de renners vaak 's nachts. Als het dan koud was vertrok Pélissier met 2 truien over elkaar heen en onderweg trok hij er dan één uit en gooide die weg. In 1924 maakte hij echter op een gegeven moment de fout dit te doen voor de ogen van Eberardo Pavesi, ploegleider van het concurrerende Legnano. Deze maakte natuurlijk van de gelegenheid gebruik en diende een klacht in. Pélissier ontkende niet, maar zei dat de trui zijn eigendom was geweest, en hierop moest Desgrange zijn beslissing wel uitstellen. Om herhaling te voorkomen kon één van de wedstrijdcommissarissen, André Trialoux, het niet nalaten om voor aanvang van de etappes te tellen hoeveel truien Pélissier aan had. Deze riep woedend dat hij geen schooljongen was en hield de Tour verder voor gezien. Hij vertrok nog wel, maar liet zich na enkele tientallen kilometers samen met zijn broer Francis uit het peloton wegzakken.
De Pélissiers
lieten het er echter niet bij zitten. Een paar maanden na dit incident
trokken zij opnieuw de aandacht door de aanstoot te geven tot de oprichting
van de eerste vakbond voor beroepswielrenners. In het voorjaar van
1925 kwam de bond, met Henri Pélissier als voorzitter, voor het
eerste echt in actie. De aanleiding hiervan was het plan van Desgrange
om de bevoorrading te standaardiseren, zodat iedereen evenveel en gelijk
voedsel zou krijgen. Dit systeem zou voor het eerst in Parijs
– Tours worden toegepast en de leiding van de bond besloot daarop in
staking te gaan. Hoewel Pélissier voorzitter van de bond was geworden
en nu ook als stakingsleider optrad, was hij daar lang niet de meest geschikte
persoon voor. Hij had niet alleen een slechte verstandhouding met organisatoren
en fabrikanten, ook onder de renners, en vooral onder de Belgen, had hij
vele vijanden. De Belgen werden door hun Franse collegae namelijk nog steeds
als indringers gezien. De stakingsopdracht van Pélissier werd dan
ook door de Belgen genegeerd. Toen ook een aantal Franse renners onder
de druk van de fabrikanten bezweek kon Parijs – Tours gewoon doorgang vinden.
Natuurlijk was dit ook meteen het einde van de bond.