Een nieuwe weg

Henri Desgrange hoopte door in 1930 de Tour door landenploegen te laten verrijden een einde te maken aan de verstrekkende macht van de fabrikanten die de vorige edities tot zulke saaie edities hadden gemaakt. Om er zeker van te zijn dat de fabrikanten niet alsnog veel invloed zouden krijgen besloot hij ook dat de renners allemaal op dezelfde, geelgeverfde, fietsen zouden rijden, die door de organisatie ter beschikking werden gesteld. Deze fietsen zouden de naam van L'Auto dragen; de renners moesten zelf voor een zadel en een stuur zorgen. Desgrange kon deze maatregelen natuurlijk alleen maar nemen, omdat hij de conjunctuur meehad. De crisis van de jaren 30 zorgde er voor dat de meeste fabrikanten toch niet genoeg geld hadden om zelf een ploeg te financieren. Alleen Ludovic Feuillet, sportdirecteur van Alcyon, protesteerde openlijk tegen de nieuwe plannen. Desgrange wist hem echter te verzoenen door aan hem uit te laten lekken dat het 'onbekende merk' Alcyon zou zijn.

Toch was Desgrange om twee redenen nog van de fabrikanten afhankelijk. Ten eerste omdat de constructeurs nu eenmaal de macht hadden om renners een deelname aan de Tour te verbieden. Antonin Magne na zijn zege in 1931Een andere reden was dat L'Auto afhankelijk was van de opbrengsten van de advertenties van de fabrikanten. Desgrange loste dit laatste op door de fabrikanten toestemming te geven reclame te maken met de renners die de rest van het jaar in hun dienst reden. Toch kregen de constructeurs hiermee weer invloed op het wedstrijdverloop. Antonin Magne verspeelde er in 1931 zelfs bijna de overwinning door. Magne's materiaal was afkomstig van een lokale constructeur die er niet over piekerde te adverteren in het dure, landelijke L'Auto. Desgrange zag een belangrijke bron van inkomsten aan zijn neus voorbij gaan en probeerde de rest van de Franse ploeg over te halen hem niet meer te steunen. Deze lieten zich alleen niet overhalen. Echter, toen in 1934 Leducq, winnaar van de Tour in 1930 en 1932, in dienst trad van het nieuwe, kleine Mercier, dat bovendien onder leiding stond van Francis Pélissier, verbood Desgrange hem grofweg te starten in de Tour, om niet nogmaals deze inkomsten mis te lopen.

Doordat de fabrikanten nu niet meer hun ploegen betaalden, moest de Tourdirectie opdraaien voor de kosten van verzorging en verblijf van de renners. Desgrange werd genoodzaakt nieuwe bronnen aan te boren en vond deze bij sectoren in het bedrijfsleven die niets met het wielrennen te maken hadden, maar de wielersport toch wilden gebruiken om reclame te maken. In 1930 kreeg chocoladefabriek Menier toestemming om een wagen van de fabriek voor de renners uit te laten rijden. Deze wagen werd bemand met enkele medewerkers; deze zouden tijdens de Tour ongeveer een half miljoen petjes en duizenden kilo's chocoladerepen uitdelen aan het wachtende publiek. Boven op de cols schonk Menier warme chocolademelk voor de renners en loofde bovendien een bergprijs uit. De campagne werd zo'n succes dat vele ondernemingen het jaar daarop ook een reclamewagen naar de Tour stuurden. Sommigen daarvan zouden jarenlang bij de wielersport betrokken blijven, zoals Perrier en Pernod. L'Auto kwam zelfs met een extra bijlage waarin precies vermeld stond welke premies door wie werd aangeboden. De 'extra – sportieve' bedrijven kregen uitgebreid de mogelijkheid hierin te adverteren.

Ga terug naar de laatst bezochte pagina Ga naar de volgende pagina Geef uw mening! / Give your opinion! Ga terug naar de Beginpagina Extra Informatie