Aangezien de meeste Belgische toppers onder contract stonden bij Franse constructeurs kostte het weinig moeite om de Belgische Wielerbond zover te krijgen dat ze een ploeg afvaardigden. Het enige probleem was Maurice Dewaele, de renner die in 1929 de Tour op een voor Desgrange onaanvaardbare manier had gewonnen. Desgrange wilde zelf de ploegen samenstellen en hij wilde Dewaele niet nogmaals aan de start hebben. Vertegenwoordiger Karel van Wijnendaele van de Belgische Bond ging pas met deze voorwaarden akkoord toen Desgrange beloofde dat Dewaele in 1931 weer gewoon van de partij mocht zijn.
De deelname van een Italiaanse ploeg zorgde voor heel wat meer problemen. Italianen reden zelden buiten hun landsgrenzen. Pas in 1927 was er voor het eerst een wereldkampioenschap verreden en dat was de enige wedstrijd waarin de sterkste renners van elke natie tegen elkaar uitkwamen. Voor het overgrote deel werden de overige koersen voornamelijk verreden door 'eigen' renners. Alleen in Frankrijk reden veel Belgische coureurs. Wat betreft de Italianen was Desgrange terecht van mening dat de Tour als landenwedstrijd alleen geloofwaardig kon zijn met deelname van een Italiaanse ploeg. En daarbij ging het eigenlijk maar om 1 man; Alfredo Binda. Deze had in Italië nauwelijks meer enige concurrentie en afgezien van een tweede stek in Milaan – San Remo had hij in 1927 overal waar hij aan de start stond gewonnen, inclusief de wereldkampioenschappen en de Giro, waar hij bovendien 12 van de 15 etappes won. Zijn stijl was zo perfect dat collegae beweerden dat hij 200 kilometer met een kom melk op zijn schouders kon rijden zonder een druppel te morsen. Desgrange had hem zo hard nodig dat hij hem, tegen al zijn principes in, een gigantisch startgeld bood. Het was sowieso een goed jaar voor Binda, want van de organisatoren van de Giro kreeg hij een smak geld om juist niet te starten, daar zijn overmacht de laatste jaren te groot was geweest.
Door de komst
van de campionissimo schoot de oplage van L'Auto
omhoog. In de eerste etappe was hij bovendien zo vriendelijk zich te laten
verslaan door opkomend idool Charles Pélissier, jongere broer
van Henri en Francis. Halverwege de Tour stapte
hij af, maar door zijn aanwezigheid was de Tour populairder geworden dan
ooit. Ook niet-gespecialiseerde dagbladen besteedden veel aandacht en voor
het eerst was ook de radio present in de Tour.
Door de landenformule
kreeg teamgeest ineens een heel andere betekenis.
Desgrange had in de reglementen
laten opnemen
dat een beperkte vorm van teamspirit was toegestaan, mits misbruik natuurlijk.
Daarmee doelde hij op de situatie rond Dewaele in 1929. Voor de renners
waren dit soort zaken echter de gewoonste zaak van de wereld en toen gele
– trui - drager Leducq in de Alpen ten val
kwam en grote achterstand opliep, zette de volledige ploeg de achtervolging
in. Met de gewonde Leducq in hun spoor haalden ze het peloton vlak voor
de finish weer in. Leducq wist in de eindsprint zelfs nog de etappeoverwinning
te pakken. De renners van de Franse ploeg werden onmiddellijk tot helden
uitgeroepen. Nu waren het geen commerciële doelen die de knechten
dienden, nee, nu reden de renners voor het vaderland en als vrienden. Mede
dankzij de dramatische radioreportage die Jean Antoine en Alex
Virot van de achtervolging hadden gemaakt en een foto van een bloedende,
huilende Leducq maakte deze gebeurtenis zo'n diepe indruk dat zij aanleiding
gaf tot een gevoel van nationale trots.