Charles
Pélissier eigenlijk helemaal niet mocht, ondanks dat ze samen
een koppel vormden tijdens baanwedstrijden. Hij had alleen om zakelijke
belangen met hem samengewerkt. De belangrijkste reden voor de antipathie
van Leducq tegenover Pélissier was van financiële aard. Hoewel
Leducq de Tour in 1930 had gewonnen, was Pélissier de werkelijke
winnaar van die Tour geweest, want de startgelden van Pélissier
lagen in de diverse criteria aanmerkelijk hoger dan die van Leducq. Natuurlijk
protesteerde Leducq hiertegen, maar tevergeefs. Pélissier beschikte
wat de media betreft gewoon over veel betere papieren.
Charles Pélissier was al in 1929 uitgeroepen tot populairste Franse renner, hoewel hij nog maar 1 Touretappe had gewonnen. Dit had hij natuurlijk vooral te danken aan de legende rond Henri en Francis Pélissier, zijn oudere broers. In het begin gedroeg hij zich ook als zijn broers. In 1925 was hij als toeschouwer naar de Tourmalet gekomen om de renners toe te schreeuwen dat ze gek waren dat ze zulke inspanningen leverden. Enig verschil met Henri en Francis was, dat Charles nog geen enkel recht van spreken had. Hoewel hij al 2 jaar prof was, had hij nog niks gewonnen. Hierop werd hij in de pers natuurlijk afgerekend.
Charles Pélissier
was lang niet zo atletisch als zijn broers. Zijn voornaamste troef was
zijn uiterlijk; hij verwierf al snel de bijnaam 'Beau Brummel'.
Hij kreeg elke Tour tientallen huwelijksaanzoeken, die hij door zijn vrouw,
'la Pélisette', liet beantwoorden. Hij was de
eerste
renner die met witte sokjes ging rijden; die kleurden het beste bij zijn
bruine benen.
Op aanraden van zijn vrouw zocht Charles contact met Desgrange, die geleidelijk steeds meer met hem ingenomen raakte. Tijdens de Tour van 1930 kreeg hij dan ook verreweg de meeste aandacht in L'Auto. Desgrange was nooit een voorstander geweest van massasprints, maar nu Pélissier zich ontpopte tot sprintkanon, werd er even heroïsch over geschreven als over de bergetappes. In 1932 ging Desgrange zelfs zover de eerste drie aankomenden in massasprint bonusminuten te geven, in de hoop Pélissier aan een Tourzege te helpen. Deze brak echter enkele weken voor de Tour zijn sleutelbeen. Nu was het André Leducq, net als Pélissier meer sprinter dan klimmer, die volop profiteerde en door deze bonusminuten de Tour voor de 2e maal won.
Er is waarschijnlijk geen enkele renner geweest die zo weinig heeft moeten presteren om zo'n grote legende te worden als Charles Pélissier. Zelf wist hij dit heel goed en hij stak dan ook veel energie in het verzorgen van zijn imago. Wat dat betreft beleefde hij zijn hoogtepunt in 1931. Zijn kopman, Antonin Magne, was in de Alpen door een inzinking achterop geraakt. Met de ogen van pers op zich gericht zette Pélissier de achtervolging met in, met Magne aan zijn wiel. Hij stond absoluut niet toe dat Magne overnam en reed in 60 kilometer een achterstand van 4 minuten in z'n eentje dicht. Hij reed zich zo leeg dat hij na de finish in elkaar zakte.
Pélissier
was de eerste renner die toegang kreeg tot de hoogste kringen van de maatschappij.
Zo was hij bevriend met Maurice Chevalier en speelde hij zelfs 2
keer de hoofdrol in een speelfilm. Als wielrenner liet hij steeds meer
de wegwedstrijden links liggen. Op de piste won hij nog jarenlang wedstrijden,
niet meer op eigen kracht, maar geholpen door welgezinde bankdirecteuren.
Tot lang na beëindiging van zijn loopbaan lukte het hem om met zijn
naam veel geld te verdienen.