Coppi
en Bartali staken in 1949 nog met kop en schouders
boven de andere ronderenners uit. In 1950 dreigden zij beiden naar het
tweede plan te verhuizen met de opkomst van een nieuw idool, de Zwitser
Hugo Koblet. Deze had dat
jaar als eerste niet Italiaan de Giro
gewonnen. Koblet had een zeer aantrekkelijk uiterlijk en de wielerpers verkondigde
meteen dat hij "mooi als een god" was. Koblet besteedde evenveel zorg aan
zijn uiterlijk als Charles "Beau Brummel" Pélissier
altijd gedaan had en droeg zelfs altijd een kammetje bij zich om direct
na aankomst zijn haren weer in orde te brengen, iets waar zelfs Pélissier
niet aan gedacht had. Koblet was echter een veel betere coureur dan Pélissier.
Het hoogtepunt
van de carrière van Koblet vormde zijn Tourzege in 1951, waar hij
met meer dan 20 minuten voorsprong op de nummer 2 in Parijs arriveerde.
Bovendien leek hij zich met zijn prestatie in de elfde, vlakke etappe tussen
Brive en Agen boven alle natuurwetten van de wielersport te verheffen.
Die dag reed Koblet, nota bene één van de grootste kanshebbers
voor de eindoverwinning, 135 km solo en arriveerde met tweeëneenhalve
minuut voorsprong in Agen. Iedereen weet dat een eenzame renner geen enkele
kans heeft tegen een ontketend peloton en journalisten raakten vanzelfsprekend
in opperste vervoering.
Abel Michéa
noemde hem "geen mens meer, maar een held, een halfgod". Een andere had
het weer over "een adelaar, achtervolgd door een troep jakhalzen", wat
op zich een zoologische noviteit is. Pierre About wilde eventueel
wel toegeven dat er op Koblet's voorhoofd zweetdruppeltjes zichtbaar waren
geweest, maar niet dat ze stonken; "Het zweet der goden bevat geen ureum!"
Het filmjournaal
van die dat liet beelden zien van een soepel rijdende Koblet met zijn handen
losjes op het stuur, afgewisseld met chaotische beelden van de
achtervolgende
groep. Het commentaar: "Door de hoge snelheid van de jacht valt het peloton
in stukken uiteen." Uit het klassement blijkt echter dat het peloton in
gesloten formatie over de streep ging. Bij nadere bestudering van de beelden
blijkt ook dat er vooraan veel Zwitsers reden die het tempo probeerden
te breken. Bovendien was de samenwerking bij de achtervolgers slecht. De
Franse leider Bobet kreeg tijdens de etappe
pech en liep 3 minuten achterstand op. Toch wist hij met slechts 2 knechten
in korte tijd de kloof weer te dichten, iets wat niet duidt op topsnelheid
in het peloton. Natuurlijk reden zijn andere knechten ondertussen niet
mee in de achtervolging. De Italianen, door de aanwezigheid van en Coppi
en Bartali en Magni toch al verdeeld, voelden
er ook weinig voor het gat dicht te rijden. Koblet leverde een fantastische
prestatie, maar het idee dat hij 3 uur lang standhield tegen een voluit
jagend peloton is een fabel. Zijn overwinning die dag staat op hetzelfde
peil als de mooiste overwinningen van Coppi, Merckx of Hinault,
maar niet erboven.
De mythe rondom
deze bovenmenselijke prestatie van Koblet werden in het leven geroepen
door journalisten die hun publiek een fraai verhaal wilden voorschotelen.
De renners daarentegen wisten wel beter, maar zij protesteerden niet. Dit
deden zij niet alleen omdat ze dan slechte verliezers zouden zijn, maar
zij hadden natuurlijk ook weinig reden om trots te zijn op zichzelf. Wie
een eenzame renner laat ontsnappen, voorsprong laat nemen en hem dan niet,
zoals gewoonlijk, vlak voor de finish terughaalt, moet het idee dat Koblet
bovenmenselijk bezig geweest was als een schitterend excuus hebben gezien.