De Reuzen van de Weg

Op den duur konden coureurs er alleen maar bij winnen als mythen als die rond Koblet in stand werden gehouden. Startgelden in criteriums en kermiskoersen vormden de belangrijkste bron van inkomsten voor beroepsrenners en die zouden zonder de legendes van de reuzen van de weg heel wat minder zijn geweest. De vedetten kregen natuurlijk Fausto Coppi in actie verreweg het meeste geld, maar ook renners van het tweede plan konden ruimschoots profiteren van de glorie van de grote kampioenen. Een goed voorbeeld hiervan was Jan Nolten. Hoewel Nolten in de Tour van 1952 geen etappe had gewonnen liepen de mensen massaal uit om hem in de criteria te zien rijden. Nolten had namelijk tijdens de beklimming van de Puy du Dôme met Coppi geduelleerd en maar met een klein verschil verloren. Bovendien had Coppi hem na deze confrontatie een belofte voor de toekomst genoemd, een uitspraak waar Nolten nog lang op kon teren.

De mindere goden wisten natuurlijk ook dat de legende hen alleen maar goed konden doen en het is dan ook niet verwonderlijk dat zij actief bijdroegen aan de legendes van de grootten. Veel van de verhalen over Coppi zijn afkomstig van diens ex-ploegmaat Raphaël Géminiani. Een voorbeeld daarvan is zijn verhaal over Coppi’s beslissende demarrage tijdens de Wereldkampioenschappen in Lugano van 1953. “…Fausto ging met een ongelooflijke krachtsinspanning opnieuw aan. Hij passeerde de hele groep en liep binnen een halve kilometer tweehonderd meter op Bobet en mij uit! Het was misschien wel de grootste verrassing uit mijn carrière.” Wat Géminiani niet vertelt, is dat de Belg Germain Derijcke al die tijd keurig bij  Coppi in het wiel bleef zitten. Uit eindelijk loste Derijcke Coppi op weg naar zijn tweede Tourzege pas toen Coppi hem een enorm bedrag bood om zich te laten afzakken. Waarschijnlijk had Coppi anders ook wel gewonnen, want de Belg was zo uitgeput dat hij de resterende 10 kilometer alsnog 6 minuten verloor.

Ook Louison Bobet, zelf ook zeker geen kleine jongen, leverde zijn aandeel aan de legende rondom Coppi. Zo beweerde hij dat de gemiddelde snelheden van wielerwedstrijden met de komst van Coppi van 32 tot meer dan 40 kilometer per uur stegen. Het is echter makkelijk aan te tonen dat dit onzin is. Voor de komst van Coppi stond de klassieker met het hoogste gemiddelde op naam van de Italiaan Jules Rossi. Hij had in 1938 Parijs – Tours gewonnen met een gemiddelde van 42.1 kilometer per uur. Aan het eind van Coppi’s carrière lag dit gemiddelde op 43.8 kilometer per uur. In de Tour daalden de gemiddelde snelheden zelfs, want Coppi liet zijn ploegmaten de koers zo sterk controleren, dat van tempoverhogende strijd bijna geen sprake was.

De legende rond Coppi werd voor een groot gedeelte door zijn collega's de wereld ingeholpen

Toch leidt deze mythe een hardnekkig bestaan en vreemd is dat niet. Dit zijn de verhalen die de spil vormen in de aantrekkingskracht die de wielersport op het publiek uitoefent. De belangen van de drie voornaamste partijen binnen de wielersport, de journalisten, de coureurs en de fabrikanten, lopen vaak uiteen, maar uiteindelijk hebben zijn allen baat bij het in leven houden van de “mythe van de reuzen van de weg”, zoals Jacques Calves schreef.

Ga terug naar de laatst bezochte pagina Ga naar de volgende pagina Geef uw mening! / Give your opinion! Ga terug naar de Beginpagina Extra Informatie