De Opkomst van
Extra-Sportief
De
periode van kort na de Tweede Wereldoorlog was één van de gouden tijden van de
wielersport. Dit werkte natuurlijk ook door in de verkoopcijfers van de
fietsenfabrikanten. 1949, het jaar van de duels tussen Bartali en Coppi, was in Frankrijk ook het jaar van de hoogste fietsverkoopcijfers ooit.
Toch zakten de jaren die daarop volgden de productiecijfers in. Niet dat er
sprake was van afnemende populariteit van de coureurs of de Tour de France,
maar de opkomst van de bromfiets was hier verantwoordelijk voor. De meeste
rijwielfabrikanten beschikten niet over het kapitaal en de knowhow om deze
nieuwe markt te veroveren. Velen onder hen raakten in grote financiële
problemen en net als in het begin van de jaren 30 waren er nog maar weinig
firma’s in staat een wielerploeg te financieren.
Het
was Fiorenzo Magni die een oplossing voor deze situatie vond. Toen zijn
ploegleider Luigi Ganna aangaf dat hij aan het eind van het seizoen zijn team
moest ontbinden, ging Magni zelf op zoek naar een sponsor. Hij slaagde erin
enige toezeggingen te krijgen van bedrijven die geen connecties hadden met de
rijwielindustrie en belegde in februari 1954 een bijeenkomst van Italiaanse
beroepsrenners om steun te vinden voor zijn plannen. Coppi en Bartali, de enigen
van wie de mening echt belangrijk was, gingen akkoord en nadat de Italiaanse
bond ook groen licht had gegeven presenteerde Magni bij aanvang van het nieuwe
seizoen zijn Nivea – ploeg. Vrijwel direct volgde Bartali die
regenjassenproducent Brooklyn als cosponsor aantrok.
Magni’s
idee was toch niet nieuw. In Spanje reden de coureurs al jaren gesponsord door
extrasportieve merken.Door de politiek van Franco nam Spanje echter een
relatief geïsoleerd
positie in, zodat de UCI daar nooit veel aandacht aan had besteed.
Nu echter een
klassiek wielerland werd aangedaan, nam de UCI een motie van afkeuring aan. De
Franse bond legde zelfs startverboden op. Toen Bartali in 1954 wilde meedoen aan
de klimkoers op de Mont Faron moest hij eerst een boete betalen voor het van
start mocht gaan. Om moeilijkheden te voorkomen besloot de Italiaanse bond dat
jaar geen ploeg aan de Tour de France te laten deelnemen.
Door
de economische situatie werden de officials echter wel gedwongen een ander
standpunt in te nemen. Zelfs enkele succesvolle coureurs als Jean Dotto, vierde
in de Tour, en Nello Laurédi, meervoudig winnaar van de Dauphiné Libéré,
slaagden er niet in een sponsor te vinden. Raphaël Géminiani besloot de
impasse te doorbreken en sloot een overeenkomst met aperitiefproducent
Saint-Raphaël.
Het team reed op fietsen van Géminiani en in 1955
werd
de ploeg
Saint-Raphaël Géminiani gepresenteerd, een naam die Géminiani plezier moet
hebben gedaan. Er werd hem bijna geen strobreed in de weg gelegd en een jaar
later reden de meeste coureurs voor extrasportieve firma’s.
Deze revolutie kon zich alleen maar zo snel voltrekken, omdat zij aansloot bij een andere ontwikkeling; de opkomst van de televisie. Met name voetbal profiteerde van het nieuwe medium. De populariteit van het wielrennen werd flink aangetast om de doodeenvoudige reden dat andere sporten zich beter voor televisieregistratie leenden. Pas in 1960 werd het mogelijk meer dan alleen de finish van wielerwedstrijden in beeld te brengen. Dit had tot gevolg dat wielrennen niet meer de mediasport bij uitstek was. Dit is min of meer ook de reden dat de Compionissimi van na de oorlog geen echte opvolgers hadden. Charley Gaul, “de engel van het hooggebergte”, Federico Bahamontes, “de adelaar van Toledo”, Gastone Nencini, “de leeuw van Mugello”, en Rik van Looy, “de keizer van Herentals”, hadden weliswaar minstens even sprekende namen als hun voorgangers, maar misten de goddelijke uitstraling waarvan Koblet, Coppi en Bartali dankzij de unieke positie van de wielersport in die tijd voorzien werden.