Le Combat Français
De meeste journalisten wisten niet goed wat ze met de overwinningen van Anquetil aanmoesten en gaven de voorkeur aan een populairdere kampioen. Deze meenden zij gevonden te hebben in de persoon van Raymond Poulidor. Deze had in 1961 op fraaie wijze Milaan – San Remo gewonnen en toonde het jaar daarop bovendien dat hij in staat was lange soloritten in bergetappes tot een goed eind te brengen. Dit was iets wat Anquetil nooit deed en de journalisten omarmden hem als een 'Messias'. Hij zou dat jaar 3e worden, maar werd in het Parc des Princes minstens even hard toegejuicht als winnaar Anquetil.
Al snel groeide de verhouding tussen Anquetil en Poulidor uit tot een conflict, dat net als dat tussen Bartali en Coppi een dimensie kreeg die het tot ver buiten de wielersport uittilde. Auquetil gold
wegens het rationalisme dat hem toegeschreven tot de belichaming van het moderne Frankrijk, terwijl Poulidor het warme traditionalisme vertegenwoordigde. Echter, waar Coppi en Bartali jarenlang gelijkwaardige tegenstanders waren, heeft Poulidor Anquetil nooit in een belangrijke wedstrijd verslagen. Dat belette de journalisten niet om beide coureurs op hetzelfde niveau te plaatsen. Ook Poulidors valpartijen en pechgevallen vormden daar geen belemmering voor; deze werden altijd aan Het Noodlot toegeschreven.
Om Poulidors veelvuldige pech immer toe te schrijven aan Het Noodlot is echter een te eenvoudig excuus. In de wielersport is pech lang niet altijd toeval. Natuurlijk kan het voorkomen dat renners zonder schuld vallen of pech krijgen. Toch kan het geen toeval
zijn dat bepaalde renners vaker vallen of pech krijgen dan collega's. Het is een bekend fenomeen dat een renner die in vorm is zelden pech krijgt. Zijn concentratievermogen is beter, hij rijdt soepeler en vraagt daardoor minder van zijn materiaal. Roger de Vlaeminck, meneer Parijs – Roubaix, bleef in 'zijn' wedstrijd jarenlang voor valpartijen en lekke banden gespaard. Ook Fausto Coppi had aanvankelijk de reputatie immuun te zijn voor pech en valpartijen. Beide renners verloren pas dit 'geluk' toe ze hun soepele tred begonnen te verliezen. De pechvogels in het peloton zijn niet zelden de renners die eigenlijk boven hun kunnen rijden, zoals Briek Schotte en Jean Robic.
In de Tour van 1964 bleef Poulidor 55 seconden bij Anquetil achter, maar in vrijwel alle kranten viel te lezen dat hij de 'morele winnaar' van deze Tour was geworden, net als René Vietto dertig jaar eerder. Poulidor had
namelijk bij valpartijen meer dan 2 minuten achterstand opgelopen. Wat natuurlijk niet in aanmerking werd genomen was het feit dat Anquetil waarschijnlijk een andere tactiek zou hebben gevolgd wanneer de situatie daarom had gevraagd. Zoals alle superkampioenen bezat Anquetil het vermogen schijnbaar boven zichzelf uit te stijgen. Hij heeft vele wedstrijden op het nippertje gewonnen en als hij verloor was het met groot verschil.
Morele overwinningen maken meestal meer indruk dan werkelijke zeges en Poulidor kreeg dat jaar meer criteriumcontracten aangeboden dan Anquetil. Deze kon dit natuurlijk maar moeilijk verkroppen en verklaarde dat hij Poulidor, die volgens hem als mens bovendien 'oninteressant' was, niet als een werkelijke rivaal te beschouwen. Rik van Looy was de enige die daar volgens hem voor in aanmerking kwam. Toen Poulidor dat jaar beloofde Anquetil tijdens de wereldkampioenschappen, dat met nationale equipes verreden wordt, bij te staan, reageerde deze met de uitspraak dat Poulidor 'nog stommer was dan hij al dacht'.