Het Juk van de Kannibaal
Door de opkomst van de televisie werd er voor een groot gedeelte een halt toegeroepen aan de legendevorming rond de wielersport. Renners werden
voor een groot gedeelte ontdaan van hun mythische dimensie en voor het oog van de wereld werd zichtbaar hoe het koersverloop vaak minder rooskleurig was dan de schrijvende pers altijd deed vermoeden. Eddy Merckx was de eerste grote kampioen die onder deze nieuwe omstandigheden moest concurreren met de legenden uit het verleden. Als opvolger van Jan Janssen, die zijn meest gedenkwaardige momenten nog voor de radio beleefde, kwam Merckx in een periode dat in Frankrijk, België en Italië directe televisie-uitzendingen werden verzorgd.
Doordat de hele natie bijna al zijn overwinningen met eigen ogen op de televisie kon zien zijn er rond Merckx veel minder legenden gevormd dan rond zijn voorgangers. Het gevolg is dat Merckx door veel mensen toch niet wordt gezien als een even groot coureur als Coppi, hoewel Merckx, niet voor niets 'de Kannibaal' genoemd, twee keer zoveel
overwinningen boekte. Het voornaamste argument voor Coppi is dat zijn tegenstanders, Bartali, Koblet en Bobet, van een veel groter kaliber waren dan Zoetemelk en Van Impe. Hier worden echter reputaties en legenden vergeleken en daarbij hebben de geroemde renners uit de jaren 40 en 50 grote voordelen.
Merckx' manier van koersen zou veel beter hebben gepast in de periode dat de schrijvende pers het beeld van het wielrennen nog bepaalde. Coppi's prestige berust voornamelijk op zijn lange solovluchten, waarin hij zijn achtervolgers op steeds grotere achterstand wist te zetten. Het waren deze overwinningen die journalisten tot hun meest heroïsche verslagen aanzetten. Merckx, die minimaal evenveel geslaagde soloritten op zijn conto heeft staan als Coppi, heeft vaak de nadelige gevolgen van deze overwinningen moeten dragen. Zo werd hij er vaak door journalisten op gewezen dat het koersverloop door deze lange solo's, die vaak al aanvingen voordat de televisie inschakelde, uitermate saai was.
Het is typerend dat Merckx's beste prestaties het publiek vaak koud lieten. In 1972 won hij Luik – Bastenaken – Luik na een lange eenzame solo. Toch leverde deze overwinning hem veel minder enthousiaste reacties op dan zijn overwinning van het jaar ervoor in dezelfde wedstrijd. Toen had hij na een solo van negentig kilometer een vreselijke inzinking gehad. Drie kilometer voor de meet werd hij bijgehaald door Georges Pintens. Toch wist Merckx in een sprint a deux nog te zegevieren.

Elke keer als Coppi een verpletterde zege wist te behalen voegde hij weer iets toe aan zijn legende; de mate waarin Merckx zijn tegenstanders overheerste begon zich op den duur zelfs tegen hem te keren. In de hoop dat zijn overwinningenreeks doorbroken zou worden grepen de journalisten elke teken van zwakte met gretigheid aan om het einde van zijn heerschappij aan te kondigen. Merckx liet zich hierdoor vaak verleiden tot, oprechte, excuses voor zijn nederlagen, maar dat paste niet bij de heroïek van een kampioen uit het verleden. Toen Bartali in de Giro van 1949 door twee lekke banden werd geveld vroeg een supporter hem de volgende dag hoevaak hij de dag ervoor lek had gereden. Bartali's antwoord was subliem. “Lekgereden? Wij rijden nooit lek!”.