Renners van de Overkant
In 1983 slaagde Lévitan er voor het eerst in een ploeg uit Colombia aan de start van de Tour de France te krijgen. Deze ploeg was de eerste amateurploeg die aan de Tour de France meedeed. In Colombia is de wielrennerij al vele jaren ongekend populair, maar door het ontbreken van een eigen rijwielindustrie die zich als sponsor zou kunnen opwerpen, wordt de sport bijna volledig op amateurniveau beoefend. Omdat de meeste steden er hoog in de bergen liggen moet er in Colombiaanse koersen altijd veel geklommen worden. De wegen over de passen zijn vaak in de eerste plaats voor vrachtverkeer aangelegd en zijn daarom niet erg
steil en hebben geen haarspeldbochten, met als gevolg dat de meeste beklimmingen kilometers lang zijn. Om in Colombia een goed coureur te zijn moet iemand dan ook een puur klimmer zijn; dalen is er niet moeilijk en een erg groot uithoudingsvermogen is ook niet noodzakelijk, omdat de meeste wedstrijden niet langer zijn dan 160 kilometer.
De eerste Colombiaanse renners die aan de Tour meededen waren van een heel ander type dan de gemiddelde Europeaanse collega. De botsing tussen beide wielerculturen 
leidde ertoe dat de Colombianen in de vlakke etappes hopeloos achterin het peloton zaten en vaak in de finale, als het tempo omhoog gaat tot wel boven de 60 kilometer per uur, moesten lossen. In de eerste de beste bergetappe, die over de 4 klassieke Pyreneeëncols Aubisque, Tourmalet, Aspin en Peyresourde, toonden zij echter dat zij wel degelijk wat in hun mars hadden. De Europeaanse klimmers, zoals Van Impe, waren gewend hun aanval zo lang mogelijk uit te stellen. De Colombianen trokken echter meteen op de eerste col ten aanval, waardoor de wedstrijd ineens een heel ander verloop kreeg. Aan het eind van de tweehonderd kilometer lange rit verzwakten de Colombianen, maar door hun actie hadden zij de weg gebaand voor een nieuwe generatie renners die in deze etappe doorbraken, zoals Robert Millar, Pedro Delgado en Laurent Fignon.
In 1984 lanceerden de Colombianen hun superklimmer Luis Herrera. Die won dat jaar meteen de
korte rit naar L'Alpe d'Huez. Velen beschouwden hem als toekomstig Tourwinnaar en Herrera deed dan ook zijn best om een compleet renner te worden. Evenals bij René Vietto gingen zijn vorderingen in de vlakke etappes en de tijdritten echter ten koste van zijn klimcapaciteiten. Toch zou Herrera nog twee keer het bergklassement in de Tour veroveren.
Ondanks dit soort kleine problemen was de deelname van de Colombianen een succes. Bovendien leverde zij de Tourdirectie een belangrijke nieuwe sponsor op, Café de Colombia. Félix Lévitan bleef echter pogingen doen om ook een Amerikaanse ploeg aan de start te krijgen. In 1986 lukte hem dit, want de 7-Eleven-ploeg stond aan het vertrek. Evenals de Colombianen beschikten de Amerikanen over een eigen cultuur. Zo werd er in het peloton geschokt gereageerd op het feit dat de ploeg een vrouwelijke masseur in dienst had. De wereld van de Europese beroepsrenners is een pure machogemeenschap, waarin vrouwelijke elementen meestal uit den boze zijn. Dat is ook één van de redenen waarom vooral onder wielrenners het bijgeloof dat sex en sport niet samengaan zo sterk aanwezig is. Opvallend genoeg geldt dit niet voor de 'groupies' van onderweg.