Ferdi Kübler
Ferdi Kübler was een grillige renner, die zijn nervositeit maar moeilijk kon verbergen. Dat resulteerde nogal eens in doldrieste aanvallen wat hem de bijnaam "Dolle Ferdi" opleverde. In 1957 stopte hij met de wielersport, maar hij is in Zwitserland,
zijn vaderland, nog steeds immens populair. Ferdi Kübler was een huilebak eerste klas, een coureur met een echt wielerhard, een vechter die als geen ander karakter kon tonen.
De Zwitser Ferdi Kübler werd op 24 juli 1919 te Marthalen geboren. Hoewel hij pas op zijn negentiende begon met wielrennen werd hij een laar later al prof. Tijdens de oorlogsjaren reed Kübler uitsluitend koersen in het eigen neutrale Zwitserland en hij won er een hele rits, waaronder de Ronde van Zwitserland in 1942. Pas vanaf 1947 kon hij zich laten gelden in internationale wedstrijden; in de Tour de France van dat jaar, gewonnen door Jean Robic, won hij meteen de eerste rit. Enkele dagen later won hij weer een etappe, maar hij verbaasde vervolgens iedereen door zomaar op te geven.
Het zat “Dolle Ferdi” lang niet altijd mee tijdens zijn wielerloopbaan. In 1949 won wel weer een Touretappe en leek in de Alpen op weg naar de eindzege. In de rit tussen Cannes en Briancon demarreerde Kübler al snel en nam 10 minuten voorsprong op Coppi en Bartali. Toen hij echter voor de derde keer lek reed, was hij door zijn reservetubes heen en moest hij wachten op de ploegleiderswagen. De Zwitserse ploegleider stond echter met autopech langs de kant. Kübler verspeelde daardoor alle kansen en gaf de volgende dag de strijd op.
In 1950 nam hij wraak. Nadat de complete Italiaanse ploeg de Tour had verlaten, zij werden bedreigd door Franse supporters omdat Bartali Robic in een valpartij zou hebben meegesleurd, won hij
echter wel en dat was het begin van een stormachtige loopbaan. In 1951 werd hij in Varese wereldkampioen door in de sprint zeven medevluchters te verslaan. In 1951 en 1952 won Kübler de beide Ardense klassiekers, de Waalse Pijl en Luik – Bastenaken - Luik, waardoor hij natuurlijk ook het Ardens weekend op zijn naam bracht.
Kübler was een man die keihard heeft moeten werken voor zijn successen. Wanneer hij gigantisch afzag vertoonde zijn gezicht de meest verschrikkelijke grimassen. Vaak reed hij met een suikerklontje tussen de tanden en mocht dat dan van zichzelf pas opeten als hij tevreden was over zijn prestatie. Kübler groeide op in armoe. Bovendien had hij een vader met losse handjes en had de man bovendien de
gewoonte alleen te stoken waar hij zelf zat te rusten. Ferdi hield hier gewrichtsreumatiek aan over. In 1946, zijn persoonlijke rampjaar, viel hij zijn schedel kapot en liep hij kwetsuren aan zijn ruggenwervels op. Bovendien kwamen dat jaar zijn moeder en broer bij een ongeval om het leven.
Het pleit voor Kübler dat hij zich door al deze tegenslagen heen heeft geknokt. In de koers wilde Kübler altijd alles "kaput fahren" en met dat temperament bracht hij velen in vervoering. Hij reed zo een indrukwekkend palmares bijeen met ondermeer vijfmaal de titel van Zwitsers wegkampioen, tweemaal de Ronde van Romandië en Rome-Napels-Rome. Driemaal won hij de Challenge Desgrange-Colombo (1950, 1952 en 1954), de voorloper van de Super Prestige Pernod en de Wereldbeker.